2025 Columns

Longafdeling

15 minuten leestijd

Op de longafdeling had ik niet lang nodig om mijn oordeel te vestigen. Na enkele minuten op de kamer tussen de mannen dacht ik alleen maar: ik wil terug naar de kamer met Corrie. In de kamer waar ik terechtkwam hoestte de ene na de ander én gorgelde ze slijm aan één stuk door. Het leek wel alsof er een wedstrijd gaande was, wie het hardst kon blaffen en spugen. Stuk voor stuk maakten de mannen ongelofelijk veel lawaai. Gelukkig had ik mijn koptelefoon, een prijzig ding met noise-cancelling, waarmee ik met muziek op het kabaal buitensloot. Ik kon er alleen niet mee slapen en vroeg daarom oordopjes van de zuster.

Rond elf uur in de avond dommelde ik eindelijk weg door een goede doses codeïne, maar dat was helaas maar van korte duur. Niet snel erna wekte de onheilspellende geluiden op de longafdeling mij weer. Door de oordopjes heen hoorde ik de patiënten. Uit ervaring weet ik dat in de avond en vooral de nacht mijn longen het meest te verduren krijgen. Ik krijg het dan nog benauwder en ga nog meer hoesten en slijm opgeven. Dit gebeurde om mij heen op de afdeling uiteraard ook. De geluiden werden zo oorverdovend gekmakend dat ze niet meer met menselijke geluiden overeenkwamen maar meer vergelijkbaar waren met varkens die niet goed verdoofd waren in een slachthuis.

Aan het eind van mijn bed verscheen om één uur in de nacht de nachtzuster. ‘Kun je niet slapen?’ vroeg ze me. Ik schudde mijn hoofd. ‘Dat snap ik, kom maar met me mee.’ Ik bleef nog een moment liggen in bed voordat ik eruit stapte omdat ik niet wist wat de bedoeling was. De nachtzuster zag mijn twijfel en zei: ‘Het is goed. Ik neem je mee naar een andere kamer. Daar ligt nu niemand en is het erg stil. Wil je nog iets meenemen? Je mobiel?’ Ik pakte snel mijn mobiel en volgde de nachtzuster. De andere kamer was iets verderop en daar was het inderdaad muisstil. ‘Dame, jij hebt stilte nodig en rust. Slaap zal je goed doen,’ zei de nachtzuster toen ze de kamer verliet. De nachtzuster redde me. Binnen enkele seconden sliep ik.

Om zeven uur in de ochtend bracht de nachtzuster me weer terug naar de zaal met de andere patiënten. De meneer die naast me lag werd vandaag ontslagen. Hij leed aan overgewicht en zag er nogal onverzorgd uit. Zijn haar was erg vet en lang en hij had hoognodig een scheerbeurt nodig. Hij had een spelcomputer mee, een soort Gameboy maar dan een goedkope versie, waarvan hij het volume op zijn hoogst had aanstaan. De hele ochtend speelde hij een racespelletje. Hij heette Piet. In mijn hoofd noemde ik hem aso Pietje. Einde van de ochtend mocht hij naar huis. Door de telefoon hoorde ik hem vragen naar een stoel voor onder de douche. Hij zei dat hij geen thuishulp wilde om hem te helpen met douchen maar dat hij een stoel wilde zodat hij het zelf kon doen. Hij had niemand, hoorde ik hem zeggen, niemand die hem kon helpen, maar hij wilde ook geen hulp omdat hij zich schaamde. Hij wilde niet dat een vreemde hem zou wassen. Piet was een zachtaardige aso met veel praatjes. ‘Tegen de zusters hier zeg ik dat ik naar beneden ga om te kijken of mijn scootmobiel nog veilig staat. Zij weten toch niet wat ik dan ga doen…’ Hij doelde op een peuk roken. Hij zei het niet, maar ik snapte waar hij het over had. De mannen om me heen in de zaal waren allen zwaar verslaafde rokers en knikten met hem mee. Zelf ben ik nu bijna vijf jaar gestopt met roken. Net als de mannen op de afdeling rookte ik vanaf mijn tienertijd. Allen lagen we hier met hetzelfde gezondheidsprobleem: een longontsteking. We scheelden alleen een aantal decennia qua leeftijd. Het telefoongesprek van de bejaarde man tegenover mij ving ik ook op. ‘Ze zeggen hier dat ik COPD heb, maar dat heb ik nog nooit eerder gehoord en ik lig hier door een kinderziekte die een longontsteking veroorzaakte. Ik ga niet eens met kinderen om! En hoe komen ze op die COPD?! Snap jij er nog iets van?’ vroeg hij aan zijn gesprekspartner. Na deze vraag bleef het een lange tijd stil.

Het RS-virus liep ik ook op, de kinderziekte waar mijn overbuurman het over had. Bij de meeste kinderen en volwassenen veroorzaakt het enkel een verkoudheid en zijn de klachten na een week voorbij. Bij ouderen en mensen met een onderliggende aandoening, zoals een hart- of longaandoening of diabetes, is er een hoger risico om erger ziek te worden. De longartsen in het ziekenhuis hadden het bij mij telkens over de astma die ik heb. Bij mij is er nooit officieel astma vastgesteld. De huisarts ging er bij mij jarengeleden vanuit dat ik dit heb toen ik benauwd werd en vaak bronchitis kreeg én omdat mijn vader astma had en het vaak erfelijk is. In het ziekenhuis drong het pas echt tot me door dat ik aan astma lijd, waarschijnlijk een ernstige vorm ervan. Er moeten meer onderzoeken volgen om dit uit te wijzen. Aan het einde van de dag heeft toch weer ieder nadeel zijn voordeel: door ernstig ziek te worden en in het ziekenhuis te belanden worden mijn longen goed onderzocht én is het realiteitsbesef bij mij doorgedrongen dat ik aan astma lijd en mijn levensstijl hierop moet aanpassen.

Op de plek van mijn buurman naast me nam een mevrouw plaats, waarvan men van mijlenver al kon zien dat ze ook vanaf haar tienertijd al rookte. De diepe groeven tekenden haar gezicht. ‘Waarom hebben al deze mensen hier in deze zaal geen mondkapjes op? Belachelijk! Ronduit belachelijk!’ Was het eerst dat de mevrouw luid vermeldde toen ze om zich heen keek. Haar priemende blik voelde ik mijn kant opspuwen. Ik durfde haar niet aan te kijken. Ik hoestte, ja, net als alle anderen hier op de kamer. Welkom op de longafdeling! We hadden hier allen longproblemen, daarbij gaat vaak gehoest gepaard. De nieuwe buurvrouw maakte me nerveus. Ze bleef me intimiderend aanstaren. Er volgde nog meer gehoest van mijn kant. Spanning is bij mij een trigger. Ik miste lieve aso Piet nu al die net nog op haar plek lag. Die noemde me “meid” en leefde met me mee als ik een hoestaanval had en die vroeg zich af hoe ik hier tussen die oudjes terechtkwam. Hij spoorde me aan al het eten te eten omdat ik dat volgens hem nodig had om aan te sterken en zei dat ik me niet moest schamen als ik speeksel moest spugen maar gewoon moest tuffen, daar wist hij alles van want hij werd eens doodziek omdat hij het altijd doorslikte. Lieve aso Piet was empathisch en had wijze adviezen. De madam die nu naast me lag had duidelijk mentale issues. Van de zusters kreeg ze om de haverklap kalmerende middelen. Ik vroeg me af hoe onuitstaanbaar ze dan wel niet zou zijn zonder die “pammetjes” en verlangde na een middag naast haar liggen ook zeker naar een handje vol van die pillen die zij telkens kreeg.

Tijdens het avondeten vroeg de buurvrouw aan me hoe het eten hier was of het smaak had. Ik at en zij staarde ernaar. ‘De gehaktballetjes vind ik erg lekker,’ antwoordde ik. Het was het eerste dat ik at, sinds ik vijf dagen geleden zo ziek werd dat ik stopte met eten. Ik kon de gehaktballetjes wel kusjes geven, zo blij was ik met eten dat er eindelijk door mijn maag ging. De buurvrouw begon aan haar eten toen ik met mijn toetje bezig was. Ze had hetzelfde gekozen als ik, aardappelpuree, met bietjes én gehaktballetjes. ‘Godverdamme! Godverdomme! Godverdomme!’ brulde ze na de eerste hap. De mannen aan de overkant van de kamer keken haar geschrokken aan. Eventjes dacht ik ook dat er iets alarmerends aan de hand was, maar al snel liet ik die gedachte varen. Mijn buurvrouw loeide continu als een sirene. Bij iedere hoestaanval kon je erop rekenen dat zij afging en elke keer als er bij haar slijm vastzat begon ze te tieren, maar ze weigerde te vernevelen als de zusters haar dat aanboden, terwijl dat het slijm losmaakt. ‘Die gehaktballetjes zijn niet te vreten! Het zijn sponsjes! Godverdomme!’ gilde de mevrouw luid, waarna ik een boze blik kreeg toegeworpen alsof ik verantwoordelijk was voor het eten op haar bord.

Later op de avond keek mijn buurvrouw televisie en beschreef ik het tafereel van de gehaktballetjes, dat zij de gehaktballetjes vies vond en ik lekker en dat ze me vervolgens weer woedend aankeek, in mijn notities op mijn mobiel. Bij het nalezen ervan moest ik er zachtjes maar toch wel hardop om lachen. Het was allemaal zo absurd dat het lachwekkend was. De buurvrouw merkte mijn binnenpretje op en vroeg me waarom ik lachte. Ik schrok dat ze dit vroeg omdat ik dacht dat ze in haar tv opging maar nu was ze in ene weer met mij bezig. Ze liet me niet met rust. Ook niet als ik even een lolletje had met mezelf. Ik zei haar dat ik een binnenpretje had, dat ik die geregeld heb en dan hardop moet lachen. Dit antwoord accepteerde zij niet. Zij wachtte duidelijk op een antwoord. Zij wilde weten waarom ik lachte. Maar aangezien het een binnenpretje was hield ik het binnen. Ik gaf haar geen antwoord. En toen was de pleures helemaal uitgebroken, ditmaal hield ze het niet bij een enkele boze blik. Ze keek me nu heel lang aan een stuk door boos aan. Het gordijn tussen ons wilde ik sluiten maar ik durfde het niet. Ik telde tot honderd in mijn hoofd en nog steeds durfde ik het gordijn niet dicht te doen. Deze madam had me in haar tang, potverdrie. Ik wachtte een tijdje tot ze weer in haar tv-programma zat en kreeg er op een gegeven moment sputterend uit: ‘Ehm, eh, ik sluit een beetje de gordijnen tussen ons tweeën, ehm, ok? Dan hebben wij een beetje privacy, dat is fijn voor ons beiden, ja?’ Dit zag zij duidelijk als een afwijzing. Ze zei er niets op terug. Ik kreeg enkel weer een boze blik toegeworpen en een soort van vreemd gegrom. De gordijnen durfde ik slechts enkele centimeters te sluiten, verre niet van wat ik wilde, wat de bedoeling was. Jezus. Ik kon mezelf wel wat aandoen. Wat een gezeik dit. Over een half uur zou mijn vrouw aankomen en me bezoeken. Ik stapte uit bed en wachtte beneden op haar in de kapel van het ziekenhuis. Tegen mijn geliefde uitte ik mijn frustraties. Toen we samen terug naar boven gingen en ik weer in mijn bed lag, sloot mijn vrouw de gordijnen helemaal rondom mijn bed en kwam bij me op bed zitten. We knuffelden en praatten zachtjes. Na zo een twintig minuten zei ze: ‘Kom met me mee. Stap uit bed en kom met me mee naar huis.’

‘Mee naar huis?’ vroeg ik verontwaardigd. ‘Dat kan toch niet? Ik lig in een ziekenhuis.’

‘Ik kan thuis ook voor je zorgen. Ik ben ook verpleegkundige. Wat voor medicatie krijg je allemaal? Je krijgt het niet door een infuus? Nou, die pillen kun je thuis ook nemen. En bij een zorgwinkel haal ik een vernevelapparaat zoals ze hier ook hebben, komt allemaal goed. Ik regel het. Hier kom je toch niet tot rust?’ Mijn geliefde keek bezorgd om zich heen.

Ze had gelijk. Ik kreeg hier geen rust. Ik stond onder continue stress door mijn mentaal zieke buurvrouw en het kabaal van het gehoest en gegorgel.

‘Het is enorm mooi en lief en ook heel erg romantisch dat je me mee wilt nemen. Maar ik zie mezelf nu niet naar huis gaan en de tram instappen. Ik blijf nog even hier, ok?’

‘Kom nou maar mee. Ik zorg thuis voor je. Deze kamer is echt niet goed voor je.’

‘Ik ben binnenkort weer thuis. Nog eventjes.’

‘Denk er dan in ieder gevel over na, ok? Ik kan thuis alles regelen dat hier is.’

Nadat mijn geliefde weg was en ik in de avond niet kon slapen dacht ik over haar voorstel na. De zusters hier checkten mijn bloeddruk, hartslag en of ik nog koorts had en al die uitslagen waren nu telkens prima. Verder gaven ze me mijn medicatie en hielpen me met vernevelen en dat kon inderdaad ook thuis. Ik dacht aan thuis en droomde weg. Thuis onder de douche, thuis in mijn eigen bed en thuis met mijn vrouw en kind in onze eigen bubbel. Ik kon me niets mooiers bedenken dan thuis zijn. En daar was geen boze buurvrouw, die serieus zonder overdrijven urenlang vanaf het moment dat mijn vrouw de kamer verliet naast me met het gordijn dat tussen ons hing aan het sjorren was. Er was een spleetje te zien tussen twee gordijnstukken en dat zinde haar klaarblijkelijk niet, want ze probeerde om de paar minuten het spleetje met gegrom en gescheld dicht te krijgen en soms bromde ze tussendoor “Privacy…Privacy!”. Kennelijk was ze zo boos op me dat de gordijnen compleet alles moesten dichten tussen ons en er geen kiertje over mocht blijven.

Rond middernacht kwam de nachtzuster naast mijn bed staan en vroeg of ik in de andere kamer wilde liggen. Tuurlijk wilde ik dat. Ik wilde niets anders. Maar ik wilde niet voorgetrokken worden. De buurvrouw zou dat vast zo zien en de hel zou dan nog verder uitbreken. ‘Ik lig vannacht wel hier,’ fluisterde ik tegen de nachtzuster. De zuster verdween en ik deed vervolgens geen oog meer dicht en had de kutste nacht ooit. Rond vijf uur in de ochtend stapte ik uit bed en ging opzoek naar de nachtzuster. In de zusterpost vond ik haar. Ik gaf haar een potje narcissen dat ik van een lieve vriendin had gekregen die op bezoek was gekomen. ‘Vandaag ga ik naar huis dus ik ga u niet meer zien, maar ik wilde u erg bedanken voor de goede zorgen,’ zei ik tegen de nachtzuster met tranen in mijn ogen. Ik was doodop door de zware nacht. De vermoeidheid en ziekte nekten me compleet. ‘Maar dame, jij bent nog erg ziek en ik zag in jouw dossier staan dat ze nog bloedonderzoeken willen doen en die staan voor maandag gepland en het is vandaag zaterdag.’

‘Voor die onderzoeken kan ik ook terugkomen. Ik hoef maar één tram te nemen en ik stap hier voor de deur uit. Ik ben zo weer terug als het nodig is.’

‘Ok. Ik snap het hoor, daar op die kamer waar jij ligt kom je niet tot rust. Waarom wilde je vannacht ook niet in de andere kamer slapen? Dat vroeg ik je nog.’

Ik begon te huilen.

‘Het is goed hoor, lieve dame. Laat het maar gaan. Je wil naar huis. Dat begrijp ik. Je zoontje mist jou vast ook en jij mist hem. Als de longarts straks komt om je te onderzoeken dan zeg je tegen hem wat je net tegen mij zei, ok? Dat je niet ver weg woont en hier zo weer terug kan zijn als het nodig is en dat doe je ook als het nodig is, ja toch?’

‘Ja zeker, dan ziet u me weer terug.’

‘Goed. Bedankt voor de narcissen. Ik zal ze thuis op de vensterbank zetten. Ik hoop voor je dat je straks naar huis kan.’

De longdokter die me die ochtend onderzocht zei dat hij op de hoogte was gebracht door de zusters die hem vertelden dat ik naar huis toe wilde, maar hij vroeg zich af hoe ik dat dan voor me zag. ‘Je bent nog steeds erg ziek,’ zei de arts. ‘In je longen hoor ik nog veel gerommel. Je bent erg snel buiten adem als je even uit bed stapt en je hoest nog steeds verschrikkelijk. Je hebt bedrust en verzorging nodig. Wie gaat er thuis voor je zorgen? Als je daar alleen bent lijkt het mij onverstandig dat je nu weggaat.’

‘Maar ik ben niet alleen daar, mijn vrouw is verpleegkundige en ze zal zorgen voor een vernevelapparaat zoals hier en ze zal me in de gaten houden.’

‘Je vrouw is een verpleegkundige?! Nou, bof jij even! Maar waar haalt ze dan een vernevelapparaat vandaan? Daar ben ik wel benieuwd naar. En weet je welke? Ik wil graag weten welke ze van plan is om in huis te halen. Vraag haar dat en laat het mij straks zien. En je moet me één ding beloven, je trekt gelijk aan de bel als je voelt dat het niet goed gaat. Als je een astma-aanval krijgt en die lijkt niet over te gaan dan bel je met het ziekenhuis. Niet met de huisarts, maar gelijk met het ziekenhuis bellen! Ook als het midden in de nacht is. Gelijk bellen!’

‘Doe ik!’

‘Ok. Dan ga ik alle papieren in orde maken en je hier ontslaan. Ik kan jou niet tegen je wil in hier in het ziekenhuis vasthouden.’

‘Dank u wel.’

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

error: Content is protected !!