Ben jij zijn moeder?
Ben jij zijn moeder?
In het Groot Melkhuis in het Vondelpark ben ik vaak met mijn peuter. Daar vraagt iemand me vandaag: ‘Ben jij zijn moeder?’
Vanochtend zat mijn zoon in de zandbak, viel op een schepje en kreeg een bloedneus. Zijn eerste bloedneus. Gelukkig viel het mee, maar de schrik zat er goed in. Om hem op te vrolijken bestelde ik poffertjes.
Het was druk. Ik vroeg een man en vrouw die yoghurt met muesli aten of wij hun tafeltje mochten delen. Prima, zeiden ze. We namen plaats tegenover hen, zagen de bloedneus van mijn zoontje en raakten aan de praat. Het stel kwam uit Groningen, had een tweede huis in Amsterdam en verbleef daar af en toe een weekendje.
Toen de vrouw naar het toilet ging, staarde de man naar mijn zoontje en vroeg:
‘Ben jij zijn moeder?’
Ik antwoordde voorzichtig:
‘Je kunt toch wel zien dat we dezelfde neus delen?’
Een tijd geleden kwam ik Hanneke Groenteman tegen (waar ik ook een stukje over schreef en hier deelde). Zij zei dat wij op elkaar leken:
‘Jullie hebben dezelfde neus.’
Ik vond dat prachtig. Ik ben zijn moeder, maar niet biologisch, en toch zag zij de gelijkenis. Het raakte me – mijn dag kon niet meer stuk.
In het restaurant inspecteerde de man de neus van mijn zoontje, daarna die van mij. Ongemakkelijk. Ik vertelde dat me vaker werd gevraagd of ik zijn moeder ben – zelfs of ik zijn au pair was. Net toen kwam de vrouw terug.
‘Wat? De au pair? Doe normaal! Dat is écht weer Amsterdam. Onbeschoft! Wat denken mensen wel niet, om zoiets te vragen?’
‘Ja maar…,’ mompelde de man.
‘Maar wat?’ vroeg de vrouw.
‘Ze lijken toch niet veel op elkaar?’
‘En?! Wat maakt dat uit?!’ reageerde ze fel.
‘Nou…,’ zei de man binnensmonds.
‘Het gaat mensen niets aan wat de relatie tussen hen is. Dat mensen vragen of jij zijn moeder bent, vind ik écht niet kunnen! Of dat jij zijn au pair bent… kom op zeg! Het gaat niemand iets aan!,’ zei ze, terwijl ze mij aankeek.
‘Ik vind het ook niet fijn als mensen dit aan me vragen,’ zei ik.
‘Heel begrijpelijk. Het is enorm onbeschoft en brutaal,’ zei ze.
En de man voegde eraan toe:
‘Gelukkig vroeg ík het niet.’
De mevrouw en ik keken hem aan. Ik vroeg me af of zij doorhad dat hij loog. Ze was een snuggere dame, en volgens mij waren ze al lang samen. Even later zag ik hen buiten lopen. Hij maakte heftige gebaren, zij liep enkele meters voor hem uit.
Gezellig, zo’n weekendje Amsterdam.