Zandvoort, toen en nu.
Toen ik zestien jaar was, was ik met mijn hond en een vriend op het strand van Zandvoort.
Ik weet nog goed dat ik zestien was. Het was niet lang nadat mijn moeder was overleden. Met haar was ik vaak op het strand van Zandvoort.
Die dag rende mijn hond los en ging het mis tussen hem en een andere hond. Hij viel die hond aan. Daarom was het de laatste keer dat hij daar los mocht.
Het was geen heftige aanval. Hij had de andere hond niet te pakken. Er was geen beet in de huid. Ik had hem op tijd vast.
Toch ging de bazin van de andere hond heftig tegen mij tekeer. Ze schreeuwde. Ik kreeg niets uit mijn mond. Ik was overdonderd.
Ze eindigde haar tirade met de zin die ik nooit zou vergeten: “Wat doen jullie hier ook?!”
Ze wees naar mij en mijn vriend. Ik stond stil als een standbeeld, zei niets meer, draaide me om en liep weg.
Terug in Amsterdam vertelden we het voorval aan de moeder van mijn vriend.
“Dus je denkt dat die vrouw dat zei omdat jullie getint zijn? Dat het daarover ging?” vroeg ze.
“Ja, dat weet ik wel zeker. Ik zag hoe ze naar ons keek. Ik voelde haar blik.”
“Maar dat weet je natuurlijk niet zeker. Denk jij het ook?” vroeg ze daarna aan haar zoon.
“Nou, ik weet niet of het daarover ging. Maar ze zei het wél. Ik hoorde het ook.”
Ik voelde me onbegrepen.
Later vertelde ik het aan mijn vader.
“Ja, nou, dat is Zandvoort hè. Daar moet je niet opkijken van vreemde blikken of nare opmerkingen.”
Het was fijn dat hij mijn gevoel niet in twijfel bracht. Hij begreep waar het werkelijk over ging. De manier waarop hij het zei maakte ook iets anders duidelijk: voor hem was het niet bijzonder.
Onlangs zat ik op een terras in het centrum van Zandvoort.
Na een lange wandeling met mijn hond — een andere hond inmiddels, die rustig los kan zonder gek te doen — dronk ik een wijntje.
Twee zachtaardige oudere mannen schoven aan. De een woonde in Spanje, de ander in Amsterdam. We praatten een paar uur.
Het terras werd steeds drukker. Mensen uit het dorp kwamen erbij. Ze praatten met de mannen, niet met mij. Ik deed alsof ik het niet doorhad.
De mevrouw die het meest aan het woord was, had het op een gegeven moment over hoe bang ze was.
Ik vroeg waar ze dan bang voor was, wat haar daadwerkelijke angst was. Ik was oprecht nieuwsgierig.
Ze keek de andere kant op en antwoordde niet. Het werd ongemakkelijk. Ik deed alsof ik niets had gezegd.
Een van de mannen met wie ik al een tijd praatte, zei daarna tegen haar:
“Hallo, even… deze jonge dame vroeg jou zonet iets. Dat had je toch wel door?”
“Oh, wat dan?” zei ze, alsof ze het niet had gehoord.
De manier waarop ze dat zei en vervolgens langs me heen keek, zei voor mij genoeg. Ik deed er niet toe voor haar.
Ik bleef nog een uurtje zitten. Met de twee zachtaardige mannen had ik het gezellig.
Maar de mensen uit het dorp vroegen mij niets. De mevrouw niet. Haar man niet. Haar vader ook niet.
Haar vader keek me vaak aan. Heel vaak zelfs. Hij keek niet langs me heen, zoals zijn dochter. Zijn blik was streng. Ik was een beetje bang van hem.
Soms fantaseer ik om aan de kust te wonen, dichtbij de zee en de duinen. Het zou goed zijn voor mijn longen. De zeelucht zou helpen bij mijn astma.
Maar ik denk niet dat het dan Zandvoort zou worden.
