Rond dezelfde periode als vorig jaar krijg ik opnieuw een longontsteking.
Dit keer ben ik er snel bij. Ik heb inmiddels een app waarmee ik direct contact heb met longverpleegkundigen, die kunnen overleggen met de longarts. Ik meld mijn klachten, stuur sputum op. Er blijkt een bacterie in mijn lichaam te zitten. Net als vorig jaar krijg ik antibiotica en prednison. De kuren slaan dit keer minder snel aan. Het herstel is wel precies hetzelfde: loeizwaar.
Het gaat steeds ongeveer zo: één dag iets doen — naar het park of de kinderboerderij met Levi — en de dag erna ben ik op. Mijn energie is dan al verbruikt.
En mijn lichaam maakt geen onderscheid tussen een fysiek zware dag en een mentaal zware dag.
Na een consult bij de homeopaat, als aanvulling op mijn reguliere medicatie voor astma, was ik zo uitgeput dat ik me de dag erna voelde alsof ik een dag naar Artis was geweest.
De dag na zo’n intensieve dag kan ik weinig. Alles kost moeite. Als ik toch doorzet, ga ik over mijn grens. Dan krijg ik snel verhoging en ben ik meteen grieperig. Dat is me de afgelopen tijd vaker overkomen. In het begin schrok ik daarvan — ik dacht dat ik opnieuw een virus had of weer een longontsteking kreeg.
Inmiddels herken ik het: dit is mijn lichaam dat aangeeft dat ik te ver ben gegaan, dat ik moet stoppen.
Vandaag gaan Levi en ik daarom niet naar de kinderboerderij, het strand of het park.
We nemen de tram naar de Aldi, waar ze boodschappenwagentjes voor kinderen hebben. Dat is het uitstapje. En dat is genoeg.
Nog nooit nam ik de tram om boodschappen te doen. Maar het kan niet anders.
Net als vorig jaar leer ik mijn lichaam opnieuw kennen tijdens het herstel van een longontsteking.
Het blijft wennen.
Ik wil er niet aan wennen.
Maar dit is de realiteit.
