Voor de ingang van Artis staan twee verkopers van een loterij.
Ik loop met mijn zoontje langs hen.
Een van de mannen spreekt een mevrouw aan die doorloopt.
Ze reageert nergens op, tot hij zegt:
‘Mevrouw, u wilt toch ook wel een maand lang gratis naar het museum en Artis?’
De mevrouw stopt.
Ze kijkt achterom.
‘Gratis?’
‘Ja, mevrouw, gratis…’
En toen stopte ik ook met lopen.
Ik blijf staan.
Een paar meter verderop.
De jonge man gaat door.
Hij vraagt om haar gegevens.
Hij vraagt naar haar bankrekeningnummer.
Ze zegt niets.
Hij zegt dat het op haar bankpasje staat.
In haar portemonnee.
Ik loop terug.
‘Mevrouw, sorry dat ik stoor, maar snapt u wel dat als u uw pasje laat zien aan deze meneer, u iedere maand geld moet betalen?’
De mevrouw kijkt de meneer vragend aan.
‘De mevrouw snapt alles hoor,’ zegt hij.
‘Ik heb haar alles uitgelegd. Ja, toch?’
‘Ik mag gratis naar Artis,’ zegt de mevrouw.
‘En u betaalt geld voor de loterij,’ zeg ik.
‘Snapt u dat?’
‘Dat kan ze opzeggen,’ zegt hij.
‘Dat heb ik haar ook uitgelegd. Wilt u nu doorlopen? Ik ben met mevrouw in gesprek.’
Hij kijkt me strak aan.
‘Denk je nou zelf dat zij dat ook gaat doen?’ vraag ik.
‘Ik legde alles uit. Wilt u nu doorlopen?’
‘Prima…’
Ik loop weg.
In Artis kijk ik naar dieren.
Ik ben er niet echt bij.
Wanneer we Artis weer verlaten, staat dezelfde jonge man er nog.
Hij wil me aanspreken, ziet me en zet zijn actie niet door.
‘Je had zelf toch ook wel dondersgoed door dat die mevrouw niet wilsbekwaam was?’ zeg ik.
‘Als zij niet wilsbekwaam was, dan had zij de stappen niet met mij doorlopen.’
‘Kun jij dan beter slapen als je jezelf dat wijsmaakt?’
‘Ik snap niet waar u zich druk om maakt.’
‘En ik snap niet waar jij mee bezig bent.’
‘Ik wens u een mooie jaarwisseling, mevrouw. Fijne dag!’
Ik zeg niets meer en loop naar de tram.
